zaterdag 20 juni 2026

Boeddha en Christus – Rudolf Steiner

 Boeddha en Christus – Rudolf Steiner


Boeddha en Christus – Rudolf Steiner

Om u de taken van de moderne geesteswetenschap te schetsen wil ik het vandaag hebben over reële zaken als ethiek en moraliteit.
            We beseffen heel goed dat ideeën over reïncarnatie op waarheid berusten. Voor ons moet duidelijk zijn dat het zinvol is dat we tijdens de ontwikkeling van onze planeet steeds nieuwe aardelevens leiden. Wanneer we ons afvragen waarom we telkens weer op aarde leven, leert occult onderzoek ons dat we tijdens verschillende aardse ontwikkelingsstadia steeds weer iets anders meemaken. In de incarnaties die direct op de Atlantische catastrofe volgden, waren de ervaringen van de menselijke ziel heel anders dan die van in latere voorchristelijke tijdperken en die weer anders in vergelijking met hoe wij zaken in ons huidige tijdperk ervaren

           
Kort stip ik aan dat direct na de Atlantische ramp onze zielen in de toenmalige lichamen nog beschikten over zekere elementaire helderziende vermogens. Deze helderziendheid, welke voor mensen in vroegere tijden nog heel natuurlijk en gewoon was, ging geleidelijk aan verloren. Het vierde na-Atlantische Grieks-Romeinse cultuurtijdperk is het tijdperk waarin het meest de kracht van de oude vorm van helderziendheid afnam. Uiterlijk bezien boekte de mens sindsdien de grootste vooruitgang op fysiek gebied. In de loop van het huidige na-Atlantische cultuurtijdperk, bij het voltooien van het vijfde cultuurtijdperk, worden weer helderziende krachten verkregen.
            Wij leven in het vijfde na-Atlantische cultuurtijdperk. Het oud-Indische was het eerste, het oud-Perzische het tweede, het Babylonisch-Chaldeïsche het derde en het Grieks-Romeinse het vierde cultuurtijdperk. Het zesde en zevende tijdperk zullen op het onze volgen, waarna een andere grote catastrofe de aarde en de mensheid zal treffen, zoals het geval was aan het einde van het Atlantische tijdperk.
            Met occult onderzoek kan worden aangegeven wat voor ieder cultuurtijdperk, waaronder voor het vijfde, zesde en zevende cultuurtijdperk, het voornaamste kenmerk van menselijke ontwikkeling is. Hoofdkenmerk van ons huidige vijfde cultuurtijdperk is de voortgaande evolutie van het intellect, het menselijk verstand. Het voornaamste kenmerk van het zesde tijdperk dat daarna volgt zal zijn dat in de menselijke ziel zeer bepaalde gevoelens zullen ontstaan over wat moreel en wat immoreel is. In een mate die men nu nog niet kan vermoeden zullen zich ten aanzien van handelingen verricht uit medelijden en welwillendheid zeer fijngevoelige sympathie gevoelens en voor kwaadwillende handelingen antipathie gevoelens ontwikkelen.
            Na het zesde zal het zevende cultuurtijdperk volgen, waarin het morele leven nog dieper verankerd zal zijn. Terwijl men in het zesde cultuurtijdperk genoegen zal beleven aan goede en edele handelingen, zal dat genoegen in het zevende cultuurtijdperk op zich ook een morele impuls veroorzaken, dat wil zeggen de wens opwekken om te doen wat moreel is. Er bestaat een groot verschil tussen genoegen beleven aan een morele handeling en zelf doen wat moreel is, zelf moreel handelen. Daarmee kan worden gezegd dat ons cultuurtijdperk het cultuurtijdperk van de intelligentie, het verstand is. Daarop volgt het cultuurtijdperk dat men het cultuurtijdperk van het esthetische genoegen en ongenoegen beleefd aan het goede en het kwade kan noemen. Het zevende zal het tijdperk van het actieve morele leven zijn.
            Voor alles wat in de toekomstige cultuurtijdperken bij de mensheid ingang zal vinden, zijn nu in de menselijke ziel niet meer dan kiemen gelegd en we kunnen zeggen dat deze menselijke aanleg, aanleg voor sympathieën en antipathieën voor morele handelingen en aanleg voor morele impulsen -, in relatie staan tot de hogere werelden. Iedere morele handeling is in zeker opzicht gerelateerd aan de hogere werelden. Onze intellectuele aanleg heeft bovenzinnelijke betrekkingen met de astrale wereld. Onze sympathieën en antipathieën voor goed en kwaad staan in verband met het lagere Devachan en de morele impulsen die in de menselijke ziel rondgaan zijn gerelateerd aan het hogere Devachan. Waarmee kan worden gezegd dat in onze tijd de krachten van de astrale wereld in de menselijke ziel tussenbeide komen, in het zesde cultuurtijdperk de krachten van het lagere Devachan meer tussenbeide komen en in het zevende cultuurtijdperk in het bijzonder de krachten het hogere Devachan bij de mensheid zullen ingrijpen.
Dat maakt het voor u begrijpelijk dat in het voorbijgaande vierde cultuurtijdperk, het Romeins-Griekse cultuurtijdperk, het overwegend de krachten van de fysieke wereld waren die de zielen van de mensen aangrepen. Daarom werden in de Griekse cultuur bijvoorbeeld zulke wonderbaarlijke beeldende kunstwerken geschapen, waarmee de vorm van de mens in de fysieke wereld op voortreffelijke wijze tot uitdrukking is gebracht. Om die reden waren mensen in die tijd ook zo goed in staat het wezen dat wij Christus noemen in de fysieke wereld in een menselijk lichaam te beleven. In ons vijfde cultuurtijdperk die tot in het vierde millennium zal voortbestaan, zullen de zielen geleidelijk aan geschikt zijn om het Christus-wezen in de astrale wereld te beleven en in de astrale wereld zal het Christus-wezen in ons tijdperk al vanaf de twintigste eeuw in ethervorm zo voor de mensheid zichtbaar worden, zoals ze in het vierde tijdperk in de fysieke wereld in fysieke vorm zichtbaar was.
            Om die gehele culturele ontwikkeling die komen zal en waarop onze zielen aansturen te begrijpen, is het nu goed om dieper op die eigenaardigheden van onze ziel die in volgende incarnaties zullen optreden in te gaan. In onze intellectuele tijd staan voor alle zielen intellectualiteit en moraliteit tamelijk naast elkaar. Tegenwoordig kan iemand naast een zeer intelligent mens ook een immoreel mens zijn, omgekeerd kan men zeer moreel zijn en in het geheel niet intelligent.
            In het vierde cultuurtijdperk zag het oud-Hebreeuwse volk dat dit los naast elkaar staan van moraliteit en intellectualiteit in aantocht kwam. Daarom probeerde het geslacht van het oud-Hebreeuwse volk een kunstmatige harmonie tot stand te brengen tussen moraliteit en intellectualiteit, terwijl bijvoorbeeld bij de Grieken indertijd een meer natuurlijke harmonie bestond. Nu kunnen we met ‘lezen’ (waarnemen) van de Akasha-kroniek zien hoe de leider van het oud-Hebreeuwse volk die harmonie tussen moraliteit en intellectualiteit probeerde te bereiken. Ze hadden symbolen die ze zo precies kenden, dat wanneer ze deze symbolen op een bepaalde manier aanschouwden en op zich in lieten werken, een zekere harmonie tussen dat wat goed, wat moreel en wat wijs was tot stand kon worden gebracht. Priesterlijke leiders van het oud-Hebreeuwse volk droegen die symbolen op de borst. Het symbool voor moraliteit heette Urim en het symbool voor wijsheid Tummim.
            Wanneer een Hebreeuwse priester bij een of andere handeling wou vaststellen dat die tegelijk goed en wijs is – dan liet hij Urim en Tummim op een betekenisvolle wijze op zich inwerken. Met de wijze waarop beide werkten, kon in hem een soort kunstmatige harmonie worden opgeroepen tussen moraliteit en intellectualiteit. Door die symbolen werden feitelijk magische werkingen uitgeoefend, werd een magische verbinding met de geestelijke wereld tot stand gebracht.
            Voor ons is het de opgave om dat wat indertijd door deze gekunstelde symbolen werd opgeroepen in latere incarnaties steeds meer te bereiken door een innerlijke ontwikkeling van de ziel.
            Laten we eens de ontwikkelingsfasen van het vijfde, zesde en zevende na-Atlantische cultuurtijdperk voor de geest halen om te zien hoe intellectualiteit , estheticisme  en moraliteit op onze zielen zullen in- en uitwerken.
            Terwijl in onze tijd, het vijfde cultuurtijdperk, onze intellectualiteit intact kan blijven, ook als moreel handelen ons niet bevalt, zal dat in het zesde cultuurtijdperk totaal anders zijn. In het zesde cultuurtijdperk, dus ongeveer vanaf het derde millennium, zal immoraliteit verlammend op het intellect werken. Wie intellectueel is en daarnaast immoreel, zal met de ontwikkeling van immoraliteit zijn intellectualiteit laten afzinken naar een schemertoestand, een toestand tussen waken en slapen. Steeds nadrukkelijker zal zich dat in de toekomstige mensheidsevolutie voordoen. De mens die niet moreel is, zal geen intellectualiteit verwerven, omdat dit alleen door morele handelingen mogelijk zal zijn. En in het zevende na-Atlantische cultuurtijdperk zullen er geen mensen bestaan die intelligent kunnen zijn, terwijl ze niet moreel zijn.
            Het is goed om een beeld te krijgen van morele krachten in de menselijke ziel ten tijde van huidige incarnaties. Waardoor wordt de mens überhaupt immoreel tijdens de ontwikkeling die hij tegenwoordig doormaakt? Die vraag werpen wij op. Dat komt omdat de mens bij zijn opeenvolgende incarnaties steeds dieper in de fysieke wereld is afgedaald en daardoor steeds meer werd gestimuleerd om zich enkel op de fysiek zintuigelijke wereld te richten.
             Naarmate deze aandriften bij die tijdsperiode van af- en indaling des sterker op de ziel werkten, is een ziel tegenwoordig des te immoreler. Dit wordt bevestigd door interessante occulte onderzoeksbevindingen.
            U weet dat wanneer een mens door de poort van de dood gaat, hij zijn fysieke en etherische lichaam aflegt en vlak na het overlijden als het ware terugkijkt op zijn hele vervlogen aardeleven. Dan volgt een soort slaaptoestand en na enkele maanden of misschien jaren ontwaakt de mens dan op astraal gebied in het kamaloka. Na dat ontwaken volgt het leven in het kamaloka, dat daarin bestaat dat het vervlogen aardeleven in omgekeerde volgorde opnieuw wordt beleefd, drie keer zo snel. Aan het begin van dit leven in het kamaloka speelt zich voor iedereen een belangrijke gebeurtenis af.
            De meeste Europeanen of in het algemeen gesteld mensen van de moderne beschaving ervaren dit als volgt.
            Bij de start van de kamaloka beleving – het leven in het kamaloka - toont een geestelijke individualiteit ons alles wat we in het afgelopen leven uit zelfzucht hebben verricht, zoals met een register waarop alles staat genoteerd waaraan we ons hebben bezondigd. Des te concreter u zich deze ervaring voorstelt, des te juister stelt u zich voor hoe werkelijk bij de aanvang van het leven in het kamaloka zich een gestalte met zo’n register ons fysieke leven wou beschrijven.
            Belangrijk feit is, waarvoor natuurlijk geen verder bewijs kan worden geleverd omdat het alleen kan worden bevestigd door occulte ervaring, dat de meerderheid van de Europeanen deze persoon als Mozes herkent. Dit is sinds de Middeleeuwen bekend bij de rozenkruisers en het is de laatste jaren bevestigd door zeer nauwgezet en subtiel onderzoek.
            U kunt hieruit opmaken dat de mens aan het begin van zijn leven in het kamaloka voor dat wat hem naar beneden heeft getrokken een grote verantwoordelijkheid voelt ten opzichte van de voorchristelijke machten. Voor het occulte leven verschijnt de individualiteit van Mozes als degene die eist dat er rekenschap wordt afgelegd voor het onrecht dat in onze tijd geschied.
            De krachten en krachten die ons weer omhoog trekken naar de geestelijke wereld vallen uiteen in twee categorieën. De ene weg is die van de wijsheid, de andere die van de moraliteit.
De krachten waaraan hoofdzakelijk de intellectuele vooruitgang te danken is, komen voort uit de impuls van een grote persoonlijkheid uit het vierde na-Atlantische tijdperk. De impuls van de ontwikkeling van de wijsheid van de ziel gaat namelijk van Gautama Boeddha uit. Het is een opmerkelijke ontdekking van spiritueel onderzoek dat de meest doordringende en betekenisvolle denkbeelden die in ons huidige tijdperk worden gedacht, hun oorsprong vinden bij Gautama Boeddha. Dit is des te opmerkelijker omdat zijn naam vóór de tijd van Schopenhauer, nog niet zo lang geleden, in het Westen vrijwel onbekend was. Dat is echter zeer begrijpelijk, want Gautama Boeddha steeg in de tijd toen hij de koningszoon van Suddhodana was op 29-jarige leeftijd op van de rang van Bodhisattva tot die van Boeddha. Een individu die een Boeddha is geworden incarneert niet opnieuw op aarde in een fysiek lichaam.
            Inderdaad is het zo dat de Bodhisattva individualiteit die vijf of zes eeuwen voor de christelijke jaartelling Boeddha werd zich niet meer in een fysiek lichaam reïncarneert en dat ook niet meer kan. In plaats daarvan zendt hij zijn krachten uit de hogere, bovenzinnelijke werelden naar beneden en inspireert hij al die beschaafde individuen, alle cultuurdragers die nog niet zijn doordrongen van de Christus-impuls.
Besef van deze waarheid was aanwezig in een prachtige legende, welke in de achtste eeuw door Johannes van Damascus is opgeschreven en in de middeleeuwen beroemd werd in alle Europese contreien. Het is de legende van Barlaam en Josaphat, welke ons werkelijk laat zien hoe degene die opvolger van Boeddha is geworden  - Josaphat wiens naam een fonetische variant is van Bodhisattva – van Barlaam onderwijs over  de christelijke impuls ontving. Deze legende die vervolgens vergeten werd, vertelt ons dat de opvolger van de Bodhisattva door een vertegenwoordiger van het christendom werd onderwezen, en ze wil laten zien dat de Bodhisattva die na Gautama Boeddha kwam in zijn eigen ziel echt de christelijke impuls had opgenomen. Dat is zo, want deze tweede impuls die nu naast de impuls van Boeddha in de evolutie van de mensheid doorwerkt, is de christus-impuls en dat is de impuls die verbonden is met het toekomstig opklimmen van de mens naar moraliteit. Daarom kan men zeggen: hoewel de leer van Boeddha in bijzondere zin een morele leer is, is de Christusimpuls geen leer maar een feitelijke kracht. Hij werkt als een morele kracht, die zich steeds meer zo ontwikkelt dat ze de mensheid werkelijk met moraliteit doordringt.
            
In het vierde na-Atlantische tijdperk moest het Christuswezen, dat uit kosmische hoogten neerdaalde, eerst in een fysiek lichaam verschijnen. In ons vijfde cultuurtijdperk zullen de intellectuele krachten zich vervolgens zo verdichten dat de mens in staat zal zijn Christus niet enkel in een fysieke maar in een etherische vorm te aanschouwen. Dit begint nu al in onze eeuw. Vanaf de jaren dertig tot veertig van deze eeuw zullen mensen verschijnen die zich persoonlijk zodanig hebben ontwikkeld dat zij de etherische gestalte van Christus kunnen zien, zoals zij de fysieke Christus zagen ten tijde van Jezus van Nazareth. Gedurende de volgende drieduizend jaar zullen degenen die in staat zijn de etherische Christus te zien, gestaag toenemen, totdat over ongeveer drieduizend jaar een voldoende aantal mensen op aarde geen evangeliën of dergelijke verslagen nodig zal hebben, omdat zij in hun eigen ziel Christus zullen hebben gezien.
            Het moet ons dus duidelijk zijn dat mensen in het vierde na-Atlantische tijdperk alleen in staat waren Christus in een fysieke hoedanigheid te aanschouwen; daarom kwam hij in een fysiek lichaam. In ons tijdperk tot in het derde millennium ontwikkelen mensen geleidelijk aan het vermogen om de etherische Christus te zien. Daarom zal hij nooit meer terugkomen in een fysiek lichaam.


Boeddha en Christus – Rudolf Steiner

  Boeddha en Christus – Rudolf Steiner Boeddha en Christus – Rudolf Steiner Om u de taken van de moderne geesteswetenschap te schetsen w...